Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7544

Datum uitspraak2001-09-06
Datum gepubliceerd2001-12-21
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/20611
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hoorplicht / motivering. Eiser, van Iraanse nationaliteit, maakt in april 2000 bezwaar tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hierna dient hij tweemaal een beroep tegen het niet-tijdig beslissen in. De beroepen zijn beide gegrond verklaard. In de laatste uitspraak (28 maart 2001) wordt een periode van zes weken bepaald voor een nieuwe beslissing en een dwangsom opgelegd. Verweerder neemt (vlak voor ommekomst van de zeswekenperiode) een beslissing op bezwaar. Ondertussen heeft verweerder, vlak na het indienen van het eerste beroep, aan eiser gemeld dat er aanleiding is om hem te horen. De beslissing op bezwaar wordt echter genomen zonder dat eiser is gehoord en in de beslissing op bezwaar wordt met een standaardoverweging gemeld waarom niet is gehoord. De rechtbank oordeelt dat verweerder alleen deugdelijk gemotiveerd terug had kunnen komen op het standpunt dat eiser gehoord had moeten worden en dat, nu dit niet is gebeurd, het beroep kennelijk gegrond is.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittingsplaats Assen Vreemdelingenkamer regnr.: Awb 01/20611 OVERIN A S2 UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1969, verblijvende te B, van Iraanse nationaliteit, IND dossiernummer 9910.09.8017, eiser, gemachtigde: mr. R. Hijma, advocaat te Utrecht; tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder. 1. PROCESVERLOOP 1.1 Op 10 oktober 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 21 maart 2000, aan eiser uitgereikt op 30 maart 2000, is deze aanvraag niet ingewilligd. Hiertegen heeft eiser bij brief van 25 april 2000 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 14 november 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep van eiser van 4 augustus 2000 tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift gegrond verklaard, de beschikking als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen binnen 6 weken na verzending van die uitspraak op het bezwaar beslist, onder veroordeling van verweerder in de proceskosten. Deze uitspraak is gedaan in de procedure met nummer Awb 00/8250 VRWET Z VR. 1.2 Daar verweerder niet binnen die termijn heeft beslist, heeft eiser weer beroep ingesteld d.d. 28 december 2000 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift en oplegging van een dwangsom verzocht. Deze zaak is bij voornoemde zittingsplaats van deze rechtbank behandeld onder nummer Awb 00/77420 OVERIO GN. Bij uitspraak van 28 maart 2001 heeft de rechtbank vervolgens de beschikking zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b Awb vernietigd en verweerder opgedragen binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een beschikking op bezwaar te nemen, onder oplegging aan verweerder van een dwangsom van ƒ 250,= per dag dat verweerder in gebreke blijft aan deze beslissing te voldoen, onder veroordeling van verweerder in de proceskosten. 1.3 Bij beschikking van 8 mei 2001 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van diezelfde dag heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank, waarbij is verzocht het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beslissing te vernietigen en een termijn te bepalen waarbinnen verweerder opnieuw in deze zaak dient te voorzien, onder verbeurte van een dwangsom. 1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij brief van 12 juli 2001 is verweerder de gelegenheid gegeven te reageren op hetgeen door eiser is aangevoerd. Hierop is binnen de gestelde termijn geen reactie van verweerder ontvangen. 2 OVERWEGINGEN 2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of deze beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 2.2 De rechtbank overweegt als volgt. Zoals door eiser is aangevoerd en ook uit de stukken blijkt, heeft verweerder bij brief van 15 augustus 2000, verzonden op 16 augustus 2000 aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de inhoud van het bezwaarschrift aanleiding geeft om advies in te winnen van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken en aangegeven dat de beslissing uitgesteld wordt totdat verweerder advies van die Commissie heeft ontvangen. Voorts heeft verweerder aangegeven er zonder tegenbericht van uit te gaan dat eiser met dit uitstel akkoord gaat. 2.3 Namens eiser is hierop bij brief van 21 augustus 2000 gereageerd richting verweerder, waarbij is aangegeven dat er reeds een beroep is ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, dat de brief van 15 augustus geen aanleiding is om dit beroep in te trekken en dat eiser verwacht dat verweerder zich, ook nu de zaak is voorgelegd aan de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, houdt aan de in de wet gestelde termijn. Hierna zijn de twee hierboven onder 1.1 en 1.2 genoemde uitspraken gedaan. 2.4 Bij de beslissing op bezwaar van 8 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard waarbij onder meer is overwogen dat eiser niet is gehoord omdat daartoe gelet op het bepaalde in artikel 7:3 Awb geen verplichting bestaat en het horen van eiser, gelet op hetgeen in de beslissing is overwogen, evenmin door de zorgvuldigheid wordt gevorderd. 2.5 Naar het oordeel van de rechtbank is deze standaardoverweging onvoldoende redengevend om in deze omstandigheden eiser niet te (doen) horen. De rechtbank merkt daartoe op dat zij bij deze beoordeling heeft betrokken de vrijheid die een bestuursorgaan heeft om -met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur- terug te komen op een eerder ingenomen standpunt aangaande de te volgen procedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval, waar zij eerst uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de inhoud van het bezwaarschrift aanleiding geeft eiser te (doen) horen en dit vervolgens niet doet, had dienen te motiveren waarom op het eerdere standpunt wordt teruggekomen. Een dergelijke motivering geeft de mogelijkheid om te beoordelen of verweerder op goede gronden is teruggekomen op het standpunt dat eiser gehoord moet worden. In de in de beslissing op bezwaar genoemde argumenten om van horen af te zien, kan geen deugdelijke motivering worden gevonden van verweerders keuze om eiser -in afwijking van het eerdere standpunt- niet te (doen) horen. 2.6 De rechtbank is derhalve van oordeel dat de bestreden beslissing reeds om het bovenstaande niet in stand kan blijven, zodat verdere bespreking van de beroepsgronden achterwege kan blijven. Gelet op de gang van zaken ziet de rechtbank ziet aanleiding om verweerder met betrekking tot de te nemen beslissing op bezwaar opnieuw aan een termijn te binden, versterkt met een dwangsom. 2.7 Het beroep is derhalve kennelijk gegrond, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen. 2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met het instellen van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de beschikking op bezwaar van 8 mei 2001; - draagt verweerder op binnen 8 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een beschikking op het bezwaar te nemen; - legt aan verweerder een dwangsom op van ƒ 250,= per dag voor elke dag dat hij in gebreke blijft aan deze beslissing te voldoen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van ƒ 710,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te voldoen; - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding aan eiser van het door hem betaalde griffierecht ad ƒ 55,--. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 j 6:7 Awb j artikel 33c Vw). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema en uitgesproken op 6 september 2001 in tegenwoordigheid van mr. S.E. van der Heijden als griffier. Afschrift verzonden: 6 september 2001